
Een term die we steeds vaker horen in de wijnwereld, maar laten we eens terugkijken naar de geschiedenis ervan.
De Koolzuurmaceratie werd wetenschappelijk geïntroduceerd door Louis Pasteur in 1872, toen hij het spontane fermentatieproces van druiven in afgesloten vaten bestudeerde. Later, in 1935, ontdekte Michel Flanzy (een Franse onderzoeker) dat druiven niet bedierven wanneer CO2 in een tank werd geïnjecteerd en dat de resulterende fermentatie zeer fruitige en kleurrijke wijnen opleverde. Onderzoek naar dit type maceratie/fermentatie ontwikkelde zich verder tot een solide wetenschappelijke basis in de jaren '60. Tegenwoordig heeft de moderne oenologie het proces wetenschappelijk beschreven, maar het is een praktijk die al lang wordt gebruikt. Koolzuurmaceratie is typisch voor twee wijnbouwgebieden: Rioja Alavesa en Beaujolais.
Vroeger was in Rioja Alavesa dit het gebruikelijke proces voor wijnproductie. Hiervoor waren er grote stenen persen waar de hele geoogste druiven werden gedeponeerd. Deze begonnen spontaan te fermenteren, waarbij het sap op de bodem van het vat CO2 genereerde, waardoor een anaërobe atmosfeer ontstond. Omdat ze in één dag niet de hele oogst konden binnenhalen, begon de volgende dag toegevoegde hele druiven te macereren door intracellulaire reacties. Dit fenomeen resulteerde in ruwe en weinig duurzame wijnen, omdat de productie werd voltooid met sterke persingen en opslag met dikke droesem tot transport.
Dit bleef zo tot 1786, toen Don Manuel Quintano y Quintano naar Bordeaux reisde om zijn vinificatietechnieken te verfijnen. Daar leerde hij "fijnere" technieken: betere reiniging, verschillende fermentatietanks, druivenselectie, verwijdering van de steeltjes, kneuzen, overhevelen en klaren, enz. Deze verandering leidde ertoe dat eerst het sap werd gefermenteerd en daarna met de schillen werd gemacereerd. De resultaten waren bevredigend en in Rioja begon men op Bordeauxse wijze te produceren. Vanaf dat moment bestonden beide vinificatietechnieken naast elkaar, hoewel in de regio Rioja Alavesa de koolzuurmaceratie de overhand had.
Met de ambachtelijke en wetenschappelijke benadering zijn deze wijnen tegenwoordig sterk verfijnd. Van meer geïndustrialiseerde en homogene wijnen tot meer ambachtelijke en karaktervolle wijnen.
In Beaujolais gaven Marcel Lapierre samen met Jules Chauvet (chemicus, wijnhandelaar) in de jaren '80 een meer ambachtelijke benadering aan de industriële processen in de regio. Zowel in de wijnbouw als in de oenologie. Ze begonnen met het introduceren van biologische wijnbouw (in een gebied dat zwaar beschadigd was door pesticiden en herbiciden) en integreerden traditionele productietechnieken, zonder toegevoegde gisten en met lage doses zwavel. Dit gaf een nieuwe impuls aan de regio en aan dit type vinificatie. Tegenwoordig rijpen deze wijnen met een gemiddeld bewaarpotentieel, terwijl de mentaliteit vroeger gericht was op snelle consumptie. Enkele producenten (Thevenet, Jean Foillard, enz.) uit de regio zijn wereldwijd bekend en bewonderd door wijnmakers en wijnliefhebbers.
In Rioja Alavesa, na de meest geïndustrialiseerde en coöperatieve periode, waarin met deze methode werd geproduceerd en kleuren, aroma's en smaken werden geharmoniseerd, zijn kleine wijnbouwers teruggekeerd naar het maken van traditionele wijnen (met de kennis van jaren en wetenschap). Ze cultiveren de wijngaarden op een ecologische manier, gebruiken inheemse gisten (geen banaan meer, alsjeblieft) en voeren lange maceraties-fermentaties uit. Dit resulteert in wijnen vol persoonlijkheid en met een zeker rijpingspotentieel. Bij Decántalo hebben we een aantal voorbeelden. Waar wacht je nog op om ze te proberen!